Bloed, van levensbelang

Iemand kan bloednerveus, bloedserieus of bloedmooi zijn. Je kunt iemand het bloed onder de nagels halen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Je kunt iemands bloed wel drinken. Allemaal gezegdes die aantonen hoe belangrijk bloed voor een mens is. Als EHBO’er weten we hoe de bloedsomloop in elkaar zit, maar begrijpen we vaak toch niet helemaal wat bloed precies voor ons betekent. Om een aantal functies van het bloed beter te begrijpen, gaan we hier wat dieper op deze belangrijke vloeistof in.

Ieder mens heeft ongeveer 5-6 liter bloed in zijn l i chaam. Dat bloed stroomt voortdurend de bloedvaten, voortgedreven door het kloppen van het hart. Het bloed heeft 20-30 seconden nodig om rondgepompt te worden, om de weg vanaf het hart door het hele lichaam en terug naar het hart af te leggen. Het is een belangrijk transport medium dat een groot aantal stoffen door ons lichaam vervoert. Op de tocht door de bloedvaten worden er allerlei stoffen aan de lichaamscellen afgegeven: zuurstof en voedingstoffen , zoals vetten, suikers, mineralen en vitamines. Tegelijkertijd worden er afvalstoffen opgenomen en naar de nieren vervoerd voor verwijdering, terwijl koolzuur opgenomen wordt om door de longen uitgescheiden te worden.
Als mensen zeggen: “Mijn bloed is niet goed,” wordt er vaak niet bedoeld dat er iets verkeerd is met het bloed zelf, maar dat er een te veel of te weinig van een van de te transporteren stoffen aanwezig is. Zo zal het bloed van iemand bij wie een te hoog cholesterolgehalte is ontdekt waarschijnlijk zelf helemaal in orde zijn. De samenstelling van het bloed zelf is goed, maar de uitslag van het bloedonderzoek wijst op een probleem elders in het lichaam. Dit probleem komt dan tot uiting door (in dit voorbeeld) een verhoogd cholesterolniveau.

P l a s m a
Iets meer dan de helft (ongeveer 55%) van het bloed bestaat uit plasma, een heldere, lichtgele vloeistof. Dit plasma zorgt er voor dat water afgegeven kan worden aan de weefsels of, indien er een overmaat aan vocht in de weefsels is, dit weer op te nemen. Het plasma dient dan ook als een soort regulerende watervoorraad. Daarnaast helpt het plasma bij het onderhouden van de bloeddruk en de bloedsomloop. Het bloedplasma bevat bovendien belangrijke eiwitten die er bijvoorbeeld voor zorgen dat het plasma keurig in de bloedvaten blijft. Ook bevat het plasma eiwitten die werken als antistoften tegen bacteriën, virussen en andere ongewenste indringers in het lichaam. Daarnaast bevat het plasma de zo belangrijke eiwitten die ervoor zorgen dat ons bloed tijdig stolt, zodat bloedingen gestelpt worden. Naast het plasma bestaat het bloed uit bloedcellen: rode bloedcellen (erytrocyten), witte bloedcellen (leukocyten) en bloedplaatjes (trombocyten). Ieder van die cellen heeft een eigen, specifieke taak en geeft aanleiding tot problemen als er te veel of te weinig van in het bloed aanwezig zijn. Deze cellen krijgen hun kleur van een eiwit, het hemoglobine . Deze stof bindt zuurstof en koolzuur, zodat de zuurstof van de longen vervoerd kan worden naar alle lichaamscellen en daar afgegeven wordt. Het koolzuur wordt op celniveau opgenomen en vervoerd naar de longen om aldaar uitgescheiden te worden. Als een arts wil weten of de zuurstofopname door het bloed goed is, krijgt de patiënt een zuurstofsaturatiemetertje aan een vinger. Dit metertje geeft aan voor hoeveel procent de rode bloedcellen verzadigd zijn met zuurstof en bij een gezond iemand zal de normale waarde rond de 98% liggen.

Hemoglobine
Indien er te weinig circulerend hemoglobine (meestal afgekort als Hb) komt de zuurstofvoorziening van het lichaam in gevaar. Een normale Hb waarde ligt voor mannen tussen 8,5-11 mmol/liter bloed (een mmol is aanduiding van massa) en voor vrouwen op 7,5-10. Een tekort aan hemoglobine kan wijzen op een te gering aantal rode bloedcellen of op een tekort aan hemoglobine in de bloedcellen. Hemoglobine wordt door het lichaam zelf aangemaakt, maar voor de productie ervan is ijzer nodig. Patiënten met een te laag Hb, veroorzaakt door een tekort aan hemoglobine, krijgen dan ook vaak staalpillen voorgeschreven. Een normaal aantal rode bloedcellen ligt voor een man tussen 4,4-5,8 x 10.000 miljard cellen per liter bloed en voor een vrouw tussen 4.0-5,3. Door bijvoorbeeld een ernstige bloeding kan het aantal rode bloedcellen te laag worden, waardoor het zuurstoftransport ontoereikend wordt. Wanneer het aantal rode bloedcellen echter te hoog is, wordt het bloed te dik en dat verhoogt de kans op een hartaanval of een beroerte.

Witte b l o e d c e l l e n of l e u k o c y t en
Er zijn verschillende soorten witte bloedcellen, maar eigenlijk is de functie van allemaal bescherming tegen indringers zoals bacteriën virussen, schimmels, tumorcellen. Sommige van die witte bloedcellen stromen vrijelijk door de bloedbaan terwijl andere door de vaatwand heengaan en doordringen in de lichaamsweefsels. Als een witte bloedcel op een probleemplek in het lichaam aankomt, scheidt hij een stofje af dat meer witte bloedcellen aantrekt. Binnen de EHBO-lessen vergelijken we de witte bloedcellen dan ook vaak met een leger dat ten strijde trekt tegen (lichaams)vreemde indringers. Een bepaald soort witte bloedcel, de lymfocyt, is verantwoordelijk voor het aanmaken van specifieke afweerstoffen. Als iemand bijvoorbeeld in aanraking komt met de verwekker van mazelen – doordat hij ziek wordt of door vaccinatie – zullen de lymfocyten afweerstoffen ertegen aanmaken. Bij veel afweerstoffen is het zo dat ze ons levenslang beschermen tegen bepaalde ziekteverwekkers. In andere gevallen – zoals bijvoorbeeld bij tetanus – moet de aanmaak van antistoffen van tijd tot tijd gestimuleerd worden. We hebben veel minder witte dan rode bloedcellen in ons lichaam, namelijk ‘slechts’ 4 tot 10 x 10 miljard / liter bloed. Als er te weinig witte bloedcellen aanwezig zijn, bijvoorbeeld na chemotherapie, wordt iemand erg gevoelig voor infecties. Een te groot aantal witte bloedcellen zal wellicht niet direct aanleiding geven tot klachten, maar kan wel wijzen op een infectie ergens in het lichaam of op bloedkanker (leukemie).

B l o e d p l a a t j es
Bloedplaatjes zijn niet echt cellen, maar celachtige deeltjes die voortkomen uit het rode beenmerg. Zij spelen een belangrijke rol bij de bloedstolling. Als er een bloedvat is beschadigd, klonteren ze samen op de plek van de beschadiging en geven een bepaalde stof af die de bloedstolling bevordert. Het normale aantal bloedplaatjes in een liter bloed is 150 tot 400 x 10 miljard. Wanneer het aantal bloedplaatjes te laag is, zullen er sneller bloedingen en blauwe plekken ontstaan. Zijn er daarentegen te veel bloedplaatjes kan het bloed te snel stollen. Als er reeds in een bloedvat een stolsel ontstaat spreken we van een trombose. Een dergelijk stolsel in een van de kransslagaders van het hart kan aanleiding zijn tot een hartinfarct. Een stolsel dat meegevoerd wordt door de bloedstroom en daardoor elders in het lichaam voor problemen zorgt, noemen we een embolie. Om dit soort problemen te voorkomen krijgen risicopatiënten vaak een antistollingsmiddel (vaak bloedverdunners genoemd) toegediend. Dit moet ervoor zorgen dat iemand minder kans loopt op een embolie, trombose, hart- of herseninfarct. Bloed: het is een fascinerende vloeistof. Ons hele leven lang worden er voortdurend nieuwe bloedcellen aangemaakt. Een rode bloedcel leeft zo’n 120 dagen, maar een witte slechts 2. Dit betekent dat er in het beenmerg, maar ook in de milt en de lymfeknopen, voortdurend een productieproces aan de gang is. We schrikken soms van een bloedende wond, maar gelukkig zorgt ons lichaam er inde meeste gevallen snel voor dat het verloren gegane bloed weer wordt aangevuld.

E l s Knaapen I n s t r u c t e u r E e r s t e Hulp / lid N O DE

Voor meer informatie kijk op www.hematologienederland.nl/over-hematologie

Related posts