Duikersziekte: weet wat je doet

Iedere sport brengt gevaren met zich mee, voor het sportduiken is dat al niet anders. Hoewel de buitenstaander vaak het idee heeft dat duiken een extreme sport is, gebeuren er relatief weinig ongevallen. Aan de andere kant zijn de ongelukken die zich voordoen vaak wel meteen ernstig en kunnen ze leiden tot levenslange invaliditeit en zelfs tot de dood.
Duiken is veilig doordat duikers zich heel goed bewust zijn van de gevaren die hun sport met zich meebrengt. Bovendien is het overgrote deel van de ervaren duikers opgeleid tot eerstehulpverlener bij duikongevallen. De meeste ongevallen – en de daaruit voortvloeiende duikziektes – doen zich direct aan de waterkant voor, buiten het gezichtsveld van de algemene EHBO’er. Er is echter één duikziekte waar ook de niet-duiker mee geconfronteerd kan worden: decompressieziekte.
Decompressieziekte werd in de 19de ook wel ‘caissonziekte’ genoemd. De ziekte kwam veel voor bij mensen die onder water in een soort duikklok of bekisting, caisson genaamd, werkten. Vaak kregen die mensen na verloop van tijd last van uitvalsverschijnselen of verlammingen. Deze symptomen traden meestal op geruime tijd nadat de werker uit het water was gekomen. Lang begreep niemand waar deze symptomen vandaan kwamen. Tegenwoordig weten we dat de symptomen van decompressieziekte voortkomen uit het feit dat er onder druk veel stikstof in de menselijke weefsels oplost. Die stikstof heeft tijd nodig – soms wel tot 24 uur – om het lichaam weer te verlaten. In die tijd kunnen er problemen optreden, vooral als de duiker heel diep of heel lang onder water is geweest.

Wet van Henry
De oplosbaarheid van gas in een vloeistof (en daarmee dus ook in ons lichaam dat immers voor een groot deel uit vloeistof bestaat) is vastgelegd in een natuur kundige wet: de Wet van Henry. Deze wet stelt dat als er contact bestaat tussen een gas en een vloeistof er gasmoleculen in oplossing gaan in de vloeistof, totdat er een evenwicht is bereikt. Naarmate de druk van het gas boven de vloeistof groter wordt, zullen er meer moleculen in oplossing gaan in de vloeistof. Dit principe wordt bijvoorbeeld toegepast bij de bereiding van frisdrank met prik. Als je een flesje bekijkt zie je geen gasbelletjes omdat al het gas in oplossing is. Open je daarentegen het flesje, wordt de druk erin verlaagd en komen er gasbelletjes vrij.
Hetzelfde principe geldt voor het menselijk lichaam. Als we bijvoorbeeld in het water afdalen tot een diepte van 20 meter is de omgevingsdruk daar driemaal zo hoog – drie bar – als aan het oppervlak. De lucht die we op die diepte inademen heeft dezelfde druk als de omgeving, m.a.w. ook die lucht wordt onder een druk van drie bar ingeademd. 21 procent van de lucht bestaat uit zuurstof en 79 procent uit stikstof. De zuurstof wordt door onze lichaamscellen verbruikt, maar de stikstof is een zogenaamd inert gas, we ademen het in en ademen het ongebruikt weer uit. De stikstof gaat door de hoge partiële druk van het gas in oplossing in het lichaamsvocht en wordt opgeslagen in de lichaamsweefsels.
Het probleem voor de duiker ligt in het feit dat het lichaam tijd nodig heeft om het opgeloste gas weer uit te scheiden. Iedere duiker zal dan ook in een heel traag tempo na zijn duik weer opstijgen naar het wateroppervlak. Als hij echter door een combinatie van diepte en tijdsduur van zijn duik zo veel gas heeft opgeslagen dat zelfs een trage opstijging het lichaam niet voldoende tijd geeft om de stikstof voldoende uit te wassen, maakt de duiker onderweg naar boven een stop van een aantal minuten. De lengte van deze stop is afhankelijk van de combinatie tijd/diepte van de duik. Maar ook deze stop is nooit voldoende om al de overmaat aan stikstof in de weefsels kwijt te raken. Eigenlijk moeten we er na iedere duik van uitgaan dat de duiker een oververzadiging van stikstof in zijn weefsels heeft.

Decompressieziekte
Indien een duiker te diep is gegaan of te lang op een bepaalde diepte is gebleven, zal het opgeloste stikstof in de vorm van gasbelletjes vrijkomen. Zo lang die belletjes heel klein zijn, zal er geen probleem optreden. Groeien die belletjes echter, bijvoorbeeld doordat de duiker snel opstijgt en de omgevingsdruk minder wordt, kunnen ze schade in het lichaam aanrichten. Dit hele proces van belvorming en belgroei heeft tijd nodig. Na een intensieve duikdag waarin meerdere duiken gemaakt zijn of na een aantal dagen achtereen duiken kan het wel tot 24 uur duren voordat de gasbellen uit het lichaam verdwenen zijn. In al die tijd kunnen er dus symptomen van decompressieziekte optreden. Met andere woorden: de duiker is lang en breed thuis als de eerste symptomen zich aandienen. Hierdoor wordt het begin van decompressieziekte vaak niet herkend en/of erkend door de duiker en zijn omgeving. Bovendien zijn de symptomen vaak niet eenduidig en kunnen problemen zich overal in het lichaam openbaren. Symptomen zijn onder andere: rode vlekken op de huid, pijn in een of meer gewrichten, jeuk, tintelingen, gevoelloosheid, problemen met zien of met het gehoor, persoonlijkheidsveranderingen, uitzonderlijke vermoeidheid… In feite moet ieder symptoom dat zich binnen 24 na een duik aandient, beschouwt worden als een mogelijke vorm van decompressieziekte.

Eerste Hulp
Iedere duiker heeft na een duik een overmaat aan stikstof in zijn weefsels en daar moet hij zo snel mogelijk van af, zeker als hij symptomen vertoont. Om het lichaam de mogelijkheid te geven de stikstof zo snel mogelijk uit te scheiden is het van groot belang dat de duiker zo snel mogelijk zuivere zuurstof toegediend krijgt. Het toedienen van de zuurstof dient waar mogelijk via een vraagsysteem te gebeuren zodat de duiker precies die hoeveelheid gas toegediend krijgt waar hij behoefte aan heeft. Daarnaast helpt het als het lichaam voldoende van vocht voorzien wordt zodat het uitwassen van de stikstof zo efficiënt mogelijk verloopt. De hulpverlener die in het bezit is van het brevet Eerste Hulp bij Duikongevallen is getraind in het herkennen van duikziektes en het verlenen van de juiste eerste hulp. Als het gaat om een ernstige vorm van decompressieziekte, moet de patiënt voor de definitieve behandeling opgenomen worden in een kliniek met een hyperbare kamer, waar hij opnieuw onder druk gebracht kan worden zodat de gasbellen verkleinen. Maar ook een snelle, juiste eerste hulp in afwachting van de definitieve hulp is belangrijk.

Aanpakken
Hoe moet een EHBO’er dit aanpakken? De duiker heeft in eerste instantie behoefte aan twee zaken: zuurstof in een hoge concentratie en vocht. Het vocht dat we de gewonde duiker toedienen mag geen suiker, koolzuur, alcohol of cafeïne bevatten. In andere woorden: water is het beste! Als de duiker lid is van een duikschool of duikvereniging zal daar zuurstof aanwezig zijn plus EHBO’ers die getraind zijn in het toedienen van zuurstof. Het kan raadzaam zijn om contact met de verantwoordelijke instructeur op te nemen, om zo snel mogelijk de juiste eerste hulp te kunnen toedienen. Is de duiker zelf getraind in het toedienen van zuurstof en/of is hij lid van het wereldwijde Divers Alert Network (DAN) dan heeft hij een telefoonnummer wat 24 uur per dag gebeld kan worden voor advies omtrent de beste hulp aan een slachtoffer van een duikongeval. Het grote probleem bij duikongevallen is dat het overgrote deel van de (para)medici geen kennis in huis heeft omtrent duikongevallen. Een duiker die met zijn probleem bij een eerste hulp post, arts of meldkamer aanklopt, komt maar al te vaak in een medische molen terecht waarbij een belangrijke tijd verloren gaat, voordat hij de juiste behandeling kan krijgen. Tijd waarin de gasbellen in zijn weefsels meer schade kunnen aanrichten! Het is dus aan ons als eerste hulpverlener van een duiker om te weten wat we moeten doen als er zich onverhoopt een probleem voordoet.

Els Knaapen
Instructeur Trainer Divers Alert Network.

Related posts