Hulpverlening bij kinderen een (extra) uitdaging

Kinderen leren door vallen en opstaan. Vaak letterlijk. Steeds weer zoeken ze de grenzen van hun kunnen op. Kinder-EHBO is anders dan EHBO bij volwassenen. Kinderen lopen andere verwondingen op en de behandelingen zijn niet altijd één-op-één over te zetten.

Er zijn bijvoorbeeld grote verschillen tussen de hersens van kinderen en die van volwassenen. Alle hersen­cellen zijn bij de geboorte aanwezig, maar nog niet alle onderdelen zijn volledig ontwikkeld. Bij baby’s en jonge kinderen kunnen maar weinig hersengebieden goed met elkaar communiceren en samenwerken. Basale functies zoals het regelen van de ademhaling en het slaap-waakritme worden eerst geregeld. Lang­zamerhand worden er meer netwerken gevormd zodat verschillende hersengebieden goed samenwerken door intensief met elkaar te communiceren. Tijdens deze ontwikkeling ontstaat steeds meer orde waardoor emotionele- en geheugenprocessen als het ware ‘rijpen’. Later volgen processen zoals taal, het probleemoplossend vermogen en het sociaal functioneren.

Het zenuwstelsel, de hersenen en de zenuwbanen, is bij jonge kinderen dus nog niet rijp. Pas na deze rijping zullen grote hersendelen goed kunnen functioneren. Door leren ontstaan steeds meer nieuwe verbindingen tussen verschillende hersencellen. Deze groei en ont­wikkeling van de hersenen gaan door tot ongeveer het 23e levensjaar.

 

Gevaren inschatten

Een gevolg van deze ontwikkeling is dat jonge kin­deren bepaalde gevaren nog niet altijd goed kunnen inschatten. Ze zijn nog niet in staat risico’s af te wegen, als ze die al zien. Doordat kinderen bovendien totaal opgaan in hun spel, kan het gebeuren dat, ondanks dat bepaalde gevaren zijn onderkend, ze op dat moment mogelijke problemen gewoon niet opmerken. Hun speelsheid, gevoel voor avontuur en gebrek aan erva­ring zorgen ervoor dat ze dingen ondernemen waar wij volwassenen nog eens over nadenken voordat we tot actie overgaan.

Op de leeftijd van één tot twee jaar zal het geheugen zich verder ontwikkelen, waardoor het kind in staat is herinneringen op te slaan en ze ook weer boven te krijgen. Het gaat het hier dan wel om dingen die niet al te lang geleden gebeurd zijn. Hier begint het leren van opgedane ervaringen. Wat oudere kinderen kunnen zichzelf in de problemen brengen doordat ze prima in staat zichzelf te overschatten. Stoer gedrag en indruk willen maken op leeftijdsgenootjes maakt dat ze hun grenzen voorbij kunnen gaan.

Pubers vertonen hun bekende dwarse risicogedrag om­dat een bepaald deel van de hersenen nog niet volledig is ‘gerijpt’. Het gevolg hiervan is dat ze zichzelf op een koppige, eigenwijze manier in gevaar kunnen brengen.

Volwassenen zullen als ze vallen in een reflex hun val proberen te breken. Automatisch wordt het hoofd be­schermd. Omdat bij jonge kinderen bepaalde reflexen nog niet goed ontwikkeld zijn, zien we dat kinderen vaker en helaas ook harder, op hun hoofd vallen. De reflex van terugtrekken bij aanraken van hete voor­werpen is nog niet goed ontwikkeld. Een kind zal bij verbranding huilen maar pas veel later dan een vol­wassene zijn hand van een heet voorwerp halen. De contactverbrandingen die hierdoor ontstaan zijn dus vaak ernstiger. Omdat ook de slikreflex van kinderen minder ontwikkeld is dan die van volwassenen, komt verslikking/verstikking vaker voor.

 

Immuniteit en ziekten

Verschillende ziektes komen vooral bij kinderen voor. Hoe kan dat? Het doormaken van bepaalde infectie­ziekten of het inenten tegen deze ziekten zorgt door het maken van antistoffen, dat over het algemeen mensen op latere leeftijd de betreffende ziekte niet voor een tweede keer krijgen. Baby’s krijgen voor de geboorte al een aantal antistoffen van de moeder mee. Deze beschermen het kind de eerste twee maanden van zijn leven. Daarna zal de baby zelf afweerstoffen moeten gaan aanmaken. Kinderen zijn dus vatbaar voor besmettelijke ziekten. Virusziekten die kinderen onder andere doormaken zijn mazelen, rodehond, wa­terpokken, bof, vijfde en zesde ziekte. Roodvonk wordt veroorzaakt door een bacterie. Na het doormaken van roodvonk zal er een immuniteit zijn tegen de stof die de huiduitslag veroorzaakt, maar helaas niet tegen de bacterie zelf. Ook kinkhoest wordt door een bacterie en niet door een virus veroorzaakt. Gelukkig zijn de meeste kinderziekten onschuldig. Toch is het belang­rijk een ziek kind goed in de gaten te houden. Schakel onder andere een arts in als het kind slap is, (koorts) stuipen heeft, een grauwe kleur heeft, niet meer wil drinken en niet meer plast (gevaar voor uitdroging), kreunt of ontroostbaar huilt, een stijve nek heeft, punt­bloedinkjes heeft op de huid die met een glas niet weg te drukken zijn of meer dan 40 graden koorts heeft. Bij baby’s onder de drie maanden met koorts hoger dan 38 graden is het raadzaam een arts te benaderen.

 

Lichaamsverhouding

Kijken we naar de lichaamsverhoudingen van kinde­ren en volwassenen, dan zien we dat deze absoluut niet gelijk zijn. Deze verschillen spelen niet alleen een rol bij het oplopen van het soort letsels maar hebben ook invloed op de risico’s van verwondingen en de behandeling. Kinderen hebben minder vet en minder spierweefsel waardoor dezelfde kracht uitgeoefend op een volwassene bij een kind makkelijker voor inwendig letsel kan zorgen. Bij kinderen die een ongeval mee­maken, zien we naar verhouding meer buik-, borst- en hoofdletsels dan bij volwassenen.

Omdat de huid van een kind nog teer is, zal een verbranding sneller ernstiger zijn. Bepaal het totale lichaamsoppervlak met tweede- en derdegraads ver­brandingen om de ernst in te schatten. Omdat kinde­ren minder huid hebben dan volwassenen, kan bij een verbranding van meer dan 10 percent van de huidop­pervlakte dusdanig vochtverlies optreden, dat er een risico voor shock bestaat.

 

Botten

Om de botten van kinderen zit een dik beenvlies. Cel­len in dit vlies zorgen voor het aanmaken van nieuw bot. Omdat dit beenvlies veel dikker is dan dat van vol­wassenen en er dus meer botvormende cellen aanwezig zijn geneest een breuk sneller. Een kind kan een bot breken zonder dat het stevige beenvlies daaromheen scheurt. Het bot knapt als een twijg terwijl de schors intact blijft. Hier is dus eigenlijk geen sprake van een volledige breuk, maar fractuur aan één kant van het bot. De elasticiteit van het botweefsel, doordat dit nog veel kraakbeen bevat, zorgt ervoor dat het bot net als een twijgje buigt. Dit heet een “greenstick” fractuur. Bij de eindeinden van de botten hebben kinderen tot en met hun puberteit groeischijven van kraakbeen. Om­dat de groeischijven van kraakbeen aan de uiteinden van de botten zit kunnen deze makkelijker breken dan het bot zelf. Als de groeischijf beschadigd is, zal er bot aangemaakt worden, geen nieuw kraakbeen. Hierdoor kan de groei geremd worden of het bot scheef gaan groeien. Kinderen lopen bij botbreuken dus andere risico’s dan volwassenen.

 

Communicatie; het letsel vaststellen

Als laatste kijken we naar het communiceren met een kind. Een kind uit zijn gevoelens door lachen, kraai­en, huilen of gebrekkig taalgebruik. Vragen duidelijk beantwoorden kunnen ze nog niet altijd. Een kind kan “au, buik” zeggen en tegelijkertijd naar zijn hoofd wij­zen. Hier komt het dus aan op het observatievermogen van de hulpverlener.

Soms ook vertonen kinderen aangepast gedrag. Ze kunnen problemen negeren. Dit is te zien bij een kind dat zijn arm niet gebruikt omdat het een “zondagsarm­pje” heeft (een zondagsarmpje is een gedeeltelijke ont­wrichting van de elleboog van een kind, ontstaan bij­voorbeeld in het weekend, als het kind aan de armpjes, bij het wandelen tussen de ouders in, opgetild wordt). Hoe ontdek je wat het kind mankeert en hoe stel je een kind gerust? Probeer je in het kind in te denken. Praat op ooghoogte, kijk het kind niet constant strak aan. Dit kan beangstigend werken. Wees duidelijk, niet vragen of je iets mag onderzoeken, maar zeg dat je dat gaat doen. Laat kinderen meehelpen door bijvoorbeeld een verbandrolletje vast te laten houden. Gebruik korte zinnen, herhaal steeds. Leid kinderen af door de wond uit het zicht te houden en met hen over hun favoriete gespreksonderwerp te praten. Kinderen en eerstehulp­verlening: een uitdaging!

 

Marion van den Hurk

Instructeur Eerste Hulp

Related posts