Dagboek van een instructeur: Moeilijke woorden vermijden

Als je een (para)-medisch beroep hebt, gebruik je al snel allerlei Latijnse termen. Zo zeg je ‘posterior’ als je ‘aan de achterkant’ bedoelt en zul je eerder spreken over ‘erythrocyten’ dan over ‘rode bloedlichaampjes’. Maar in onze EHBO-lessen proberen we juist dergelijk vakjargon te vermijden. Toch kan ook dat soms tot misverstanden leiden.

Twaalf nieuwe BHV-cursisten zaten die dag in het klas­lokaal. De basisopleiding BHV duurt twee dagen: een dag eerste hulp en een dag brand en ontruiming. Het zijn intensieve dagen waarin veel geleerd en geoefend moet worden. Bovendien worden beide dagen afgesloten met een schriftelijk examen. Die examens worden in een dichte envelop aangeleverd, zodat het de instructeur die zijn cursisten vast een voorproefje wil geven, onmogelijk wordt gemaakt.

Zo’n eerste dag is voor het overgrote deel van de cursis­ten erg spannend. De cursisten hebben ruim van tevoren het leerboek ontvangen en er is ze gevraagd de stof goed te bestuderen. Immers, het schriftelijk examen gaat over alle in het leerboek behandelde onderwerpen. Als je geluk hebt en er zit wat tijd tussen de twee cursusdagen, kun je eerst het ene en daarna het andere deel leren.

Maar als de cursus op twee opeenvolgende dagen valt, zul je toch echt het hele boek moeten leren. Vooral voor cursisten die in de productie of buiten werken is dat een pittige opgaaf. Veel moeten leren en vervolgens ook nog eens twee dagen relatief stil zitten of binnen blijven. Het is dan ook geen wonder dat de meeste cursisten wat aarzelend binnenkomen en een afwachtende houding hebben. Het is aan de instructeur om die aanvangsspanning weg te nemen door een vriendelijke en ontspannen sfeer te creëren.

Als gangmaker voor zo’n eerste les gebruik ik vaak een eenvoudig spelletje. Ik stel vragen die betrekking hebben op het boek en de eerste cursist die het juiste antwoord geeft, krijgt een punt en kan een ‘weekendje wenen’ (d.w.z. een zakje uien winnen). De vragen gaan niet over inhoudelijke zaken, maar zijn meer in de trant van: “Op welke bladzij kun je vinden wat je moet doen bij een angina pectoris?” of “Waar staan de pictogrammen die de verschillende brandklassen aangeven?” Het is zo maar een spelletje maar dat zorgt er wel voor dat mensen elkaar proberen af te troeven en dat de spanning in een klap een stuk minder wordt.

Na het spel geef ik altijd uitleg over het verloop van de dag en benadruk nog eens dat ze aan het eind van de middag een toets krijgen bestaande uit ‘meerkeuze­vragen’. Tja, in het kader van consequent vermijden van Latijnse of andersoortige buitenlandse woorden verwacht ik geen misverstanden als ik zo’n oer Nederlands woord gebruik. Maar ja, er zijn nu eenmaal altijd uitzonderingen. En zo kon het gebeuren dat een cursist na mijn uitleg over het examen een wat glazige blik in zijn ogen kreeg en vervolgens vroeg: “Uhhh … bedoelt u soms multiple choice vragen?”

 

Els Knaapen

Instructeur Eerste Hulp/ lid N.O.D.E.