GRIP-regeling uitgebreid – Veiligheidsregio’s hebben twee fasen toegevoegd

Adri van Vliet (RHB)

De tijd dat de b r a n d w e e r zelf allerlei c a l a m i t e i t e n zelfstandig probeerde t e bestrijden ligt al ver a c h t e r ons. H e t is nu gebruikelijk o m bij grootschalige incidenten op t e schalen binnen de zogenoemde GRIP-structuur. Sinds 2013 is d e z e regeling m e t t w e e fases uitgebreid, die de organisatie regelt bij bovenregionale incidenten.

Bij een grootschalig incident moeten plaatselijke hulpverleners, zoals brandweer, politie en ambulance, vanuit hun dagelijkse werkzaamheden snel kunnen omschakelen naar een multidisciplinaire organisatie om het incident effectief te kunnen bestrijden (opschalen). Om een opschaling voor alle geldende regels te laten verlopen is in de Regio Rotterdam-Rijnmond indertijd de GRIP-structuur ontwikkeld, die vervolgens in alle veiligheidsregio’s wordt toegepast. De GRIP (Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure) heeft gezorgd voor meer uniformiteit in de opschaling bij de reguliere hulpdiensten, gemeenten en waterschappen. De GRIP-structuur is geen wettelijke regeling, maar is wel opgenomen in de crisisplannen van alle 25 veiligheidsregio’s in ons land.

Eerst alleen regionaal
De GRIP-structuur is ontwikkeld als opschalingsstructuur van de ‘algemene kolom’. Binnen deze kolom opereren de diensten van de brandweer, de politie, de geneeskundige zorg en voor zover het incident gevolgen heeft voor de openbare orde en veiligheid, ook de gemeente. Is dit laatste het geval, dan vallen alle diensten onder het bevoegd gezag van de burgemeester of van de voorzitter van de Veiligheidsregio. Na het uitkomen van het rapport Eenheid in verscheidenheid in 2013, zijn twee nieuwe fasen aan de GRIP-structuur toegevoegd. Als er sprake is van een bovenregionaal incident (als er meerdere veiligheidsregio’s bij betrokken zijn) is dit GRIP 5 en voor een ‘nationaal incident’ de GRIP Rijk.

Hoofdstructuur
In het Besluit Veiligheidsregio’s wordt aangegeven hoe de hoofdstructuur van de rampenbestrijding en crisisbeheersing er moet uitzien. De hoofdstructuur bestaat uit de volgende onderdelen;

  1. een meldkamer (CoPI);
  2. een commando plaats incident;
  3. een regionaal operationeel team (ROT);
  4. indien nodig een gemeentelijk beleidsteam (GBT) of een regionaal beleidsteam (RBT).

De meldkamer alarmeert de brandweer, politie, de ambulance, de geneeskundige zorg en ondersteunt verder hun inzet. Het CoPI en het ROT is multidisciplinair samengesteld en bestaat in ieder geval uit vertegenwoordigers van de brandweer, politie, geneeskundige hulpverlening en bevolkingszorg (niet verplicht). Iedere dienst is verantwoordelijk voor haar eigen werkzaamheden die binnen de monodisciplinaire processen worden uitgevoerd. Het GBT of het RBT is het adviesteam van het bevoegde gezag. Hierin zijn meestal ook vertegenwoordigers van de brandweer, politie en geneeskundige hulpverlening opgenomen (specifieke deskundigheid), maar het is geen verplichting.

Crisispartners
Vanuit de overheid kunnen vertegenwoordigers van de bedrijfsdirectie, bedrijfshulpverleners en anderen aan een van de bovengenoemde teams worden toegevoegd. Dit is afhankelijk van de aard en omvang van het incident.

GRIP-opschalingsniveaus
De fasen I, 2, 3 en 4 van de GRIP hebben betrekking op de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing door de hulpverleningsdiensten van de veiligheidsregio. Het hoogste opschalingsniveau is GRIP 4.

GRIP I
Er wordt opgeschaald naar GRIP I, wanneer een hulpdienst ondersteuning nodig heeft van een of meerdere andere hulpverleningsdiensten. Denk bij brand aan: het afzetten van het rampgebied of het waarschuwen van bewoners door de politie. Of het laten verzorgen van eventuele slachtoffers door de ambulancedienst. In de onmiddellijke omgeving van de calamiteit wordt dan een CoPI ingericht, waarvan de werkzaamheden zijn gericht op de bestrijding van de gevolgen in het brongebied (directe omgeving van de brand).

Sleutelrol
De officier van Dienst Bevolkingszorg is één van de sleutelfuncties van de Bevolkingszorg ten tijde van een opgeschaalde crisis. Hij maakt bij een GRIP I deel uit van Het CoPI en adviseert bij GRIP 2 en hoger aan het ROT. De officier van Dienst Bevolkingszorg regelt alle bevolkingsaspecten, zoals opvang en verzorging bij evacuatie, slachtofferregistratie, crisiscommunicatie, uitvaartverzorging, milieuzorg en schadeafhandeling.

GRIP 2
Als er gevaar is voor uitbreiding van de brand, instortingsgevaar etc. zal ook structurele inzet van de hulpverleningsdiensten buiten het brongebied noodzakelijk zijn. Er ontstaat dan een brongebied en een effectgebied. In dit geval wordt opgeschaald naar GRIP 2. De hulpdiensten worden uitgebreid met voertuigen uit de veiligheidsregio (extra politie-inzet, brandweervoertuigen, meer ambulances). Naast het CoPI wordt dan op een vaste locatie binnen de veiligheidsregio een ROT ingericht. Het ROT richt zich op de incidentbestrijding in het effectgebied. Verder heeft het ROT de taak om het CoPI te ondersteunen. Het ROT is binnen de regionale rampenbestrijding het hoogste operationele niveau.

GRIP 3
Als tijdens de bestrijding het noodzakelijk wordt geacht om ook bestuurlijke instanties er bij te betrekken wordt opgeschaald naar GRIP 3. De burgemeester en zijn beleidsadviseurs worden dan bij de bestrijding van het incident betrokken. In deze fase wordt dan het GBT geformeerd. Het ROT krijgt dan zijn strategische instructies van de burgemeester. Bij een GRIP 3 blijft het incident beperkt t o t één gemeente.

GRIP 4
Zodra het bron- en/of effectgebied meer dan twee gemeentes omvat, is sprake van een incident van meer dan plaatselijke betekenis. Doet zich dit voor dan wordt opgeschaald naar GRIP 4. De voorzitter van de veiligheidsregio, meestal de burgemeester van de grootste gemeente, is dan belast met het bevoegd gezag. Het GBT uit GRIP 3 komt dan te vervallen. In plaats daarvan wordt het RBT geformeerd. De burgemeesters van de getroffen gemeentes, de hoofdofficier van justitie en de voorzitter van het waterschap zijn formeel lid van het RBT. Ook kunnen allerlei andere deskundigen van de operationele diensten aanschuiven. Bij GRIP 4 blijft het incident beperkt tot het grondgebied van de veiligheidsregio.

O-fase
De GRIP-procedure is ingericht om bij het bestrijden van ongevallen en rampen de juiste hulpverleners en functionarissen op het juiste moment in te schakelen. Tijdens de dagelijkse werkzaamheden geldt voor alle hulpverleners de O-fase; oftewel er is geen centraal gecoördineerde incidentbestrijding nodig en de werkzaamheden behoren tot de dagelijkse routine. Zodra één van de bij de bestrijding betrokken hulpdiensten daar behoefte aan heeft, dan kan deze een GRIPfase afkondigen. Deze opschaling geldt voor alle hulpdiensten binnen een veiligheidsregio.

Bovenregionaal
Bij regiogrensoverschrijdende incidenten, zoals bij de brand in Moerdijk waar meerdere veiligheidsregio’s bij betrokken waren, is er behoefte om een speciale structuur te ontwikkelen. In het rapport Eenheid in verscheidenheid zijn twee nieuwe fasen beschreven, te weten GRIP 5 en GRIP Rijk. Beide fasen zijn inmiddels opgenomen in de crisisplannen van de veiligheidsregio’s. In de ministerraad is de crisisbestrijding vastgelegd in het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming met daarin omschreven GRIP I t/m GRIP 5 en GRIP Rijk.

GRIP 5
Als een ramp of crisis zich uitstrekt over meer dan één veiligheidsregio wordt nu opgeschaald naar GRIP 5. Dit gebeurt echter alleen als daarvoor bestuurlijke noodzaak aanwezig is. De voorzitters van de betreffende veiligheidsregio’s moeten daartoe besluiten. Bij een GRIP 5 vindt geen overdracht van het bevoegd gezag plaats naar een hoger niveau. Wel gaat één veiligheidsregio de bestuurlijke en operationele afhandeling coördineren. Door de diverse veiligheidsregio’s kan op voorhand al worden afgesproken wie de leiding neemt. Is dit niet gebeurd dan is meestal de praktijk dat de veiligheidsregio van het brongebied van het incident deze taak op zich neemt. Er kan bij GRIP 5 een coördinerend leider (COL) worden aangewezen die contacten onderhoudt met de operationele leiders van de andere regio’s. Ook kan er zo nodig een interregionaal operationeel team worden ingesteld (IROT). Dit geldt ook voor een interregionaal beleidsteam (IRBT).

GRIP Rijk
Als bij een crisis meerdere ministeries betrokken zijn, kan GRIP Rijk worden afgekondigd. Dit kan noodzakelijk zijn als de vitale belangen van de Staat of de samenleving worden bedreigd. Denk aan overstromingen, uitvallen van water, gas, licht, telecommunicatie en dergelijke. GRIP Rijk wordt afgekondigd door de ministeriële commissie crisisbeheersing (MCCb). De minister van Veiligheid en Justitie is hiervan coördinerend minister en, als de ramp zeer groot is, de minister-president. De MCCb neemt geen bevoegdheden over van individuele ministers. Zij blijven verantwoordelijk voor hun eigen vakgebied. Bij opschaling naar GRIP Rijk wordt ook de interdepartementale commissie crisisbeheersing (ICCb) operationeel. Hierin vindt op hoog ambtelijk niveau afstemming plaats tussen de verschillende betrokken ministeries. De ICCb wordt ondersteund door het Nationaal Crisiscentrum (NCC). De nationaal coördinator terrorismebestrijding en veiligheid (NCTV) treedt op als voorzitter van de ICCb. In een GRIP Rijk-situatie kan een minister aanwijzingen geven aan een lager niveau (voorzitter van de veiligheidsregio). Ook de betrokken commissaris van de Koning kan dit namens de minister van Veiligheid en Justitie (V en J) doen. Zowel de minister als de commissaris van de Koning (CdK) kunnen niet in de uitvoeringsbevoegdheden treden van de voorzitter van de veiligheidsregio.

Referentiekader Regionaal Crisisplan
Als aanvulling op de GRIP-structuur is ook het Referentiekader Regionaal Crisisplan ontwikkeld. Hierin wordt voor alle betrokken diensten omschreven hoe alle processen geactiveerd kunnen worden. Het gaat dan om het redden van mensen en dieren, het vervoeren van gewonden tot het regelen van mobiliteit en publieksvoorlichting. Als er bij een calamiteit bijvoorbeeld ook strafrechtelijke aspecten een rol spelen, kan de politie een aantal aanvullende activiteiten opstarten, zoals opsporing, recherchemaatregelen, forensische ondersteuning, aanhouding en verdere ondersteuning. Opschaling is cruciaal bij een ramp of crisis. De zogeheten GRIP-structuur speelt daarbij een belangrijke rol. Opschaling vindt plaats op basis van de ernst en omvang van de gebeurtenis. Bij opschaling kunnen de verantwoordelijkheden en bevoegdheden wijzigen. Feitelijk richt de procedure zich op het zoeken naar het meest geschikte afstemmingsniveau. Inmiddels is de GRIP-structuur binnen alle veiligheidsregio’s geïmplementeerd. Een goede zaak, want in ons kleine en dichtbevolkte land overstijgt een calamiteit al snel de gemeentegrens. Opschaling binnen de GRIP-structuur is dan belangrijk om te voorkomen dat er onnodige slachtoffers vallen en materiële schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. Op www.infopuntveiligheid.nl is de GRIP-regeling te lezen en/of te downloaden.

Related posts