Onderhoud van brandblussers: de zin en onzin

Brandblusmiddelen moeten in elk bedrijf verplicht aanwe­zig zijn. Dat is een veilig idee! Maar de blusmiddelen zijn alleen effectief als ze onderhouden worden. Over het onderhoud van brandblusmiddelen wordt van alles beweerd. In dit artikel wordt de zin en onzin van verplicht onderhoud van slangenhaspels en brandblusapparaten ontrafeld.

Voor de meeste bedrijven, zorginstellingen, scholen, kantoorgebouwen, gevangenissen en dergelijk is de aanwezigheid van kleine blusmiddelen voldoende. Onder kleine blusmiddelen verstaat men de slangenhaspels en al of niet ver­rijdbare handbrandblusapparaten. Het verplicht aanwezig zijn van brandblusmiddelen is geregeld in artikel 6 van het Bouwbesluit. In dit besluit wordt eigenlijk alleen een brandslanghaspel verplicht gesteld. Alleen als de aard en omstandig­heden van een bouwwerk extra gevarenrisico’s met zich meebrengt kunnen andere blusmiddelen noodzakelijk zijn. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor bedrijven waar gewerkt wordt met vloeibare of gasvormige stoffen. Deze kunnen en mogen niet door water worden geblust. In dit soort bedrijven zijn dan handblusapparaten met vol­doende bluscapaciteit verplicht.

De keuze van het blusmiddel, zoals poeder, CO2 of schuim is afhanke­lijk van de aanwezige gas- of vloei­stoffen. De lengte van en slangen -haspel mag niet meer dan 30 meter bedragen, is aangesloten op een drinkwatervoorziening en mag niet worden aangebracht in een ruimte met een trap die gebruikt wordt als een beschermde vluchtroute.

Brandslang bij de nooduit­gang

De brandslang(en) moeten elk punt in een gebouw kunnen bestrijken en zoveel mogelijk bij (nood) uitgangen worden aangebracht. Degene die de brand ontdekt kan dan eerst alarm slaan en de brand melden, controleren of de vlucht­route veilig is en daarna beslissen of een bluspoging verantwoord is. Mislukt de poging, en er ontstaat veel rookontwikkeling, dan kan de slang gebruikt worden om veilig de uitgang te bereiken. Brandslangen mogen nooit door brand- of rookwerende deuren gevoerd worden. Deze deuren moeten na gebruik zelf kunnen sluiten. Kort samengevat komt het er op neer dat in elk brand- of rookcompartiment voldoende slangenhaspels aanwezig zijn. Vanwege legionella gevaar mo­gen slangenhaspels niet voor ande­re doeleinden gebruikt worden.

Verplicht onderhoud brandslangen haspels

De Europese norm NEN-EN 671-3 geeft aanbevelingen voor de inspectie en het onderhoud van de brandslanghaspels. De belangrijkste onderdelen hieruit zijn:

  1. Periodieke inspecties door de gebruiker. De gebruiker moet regelmatig de staat van de haspels controleren. Is de verzegeling niet verbroken, zijn de haspels en de omgeving goed bereikbaar en is de keuringsdatum niet verlopen?
  2. Registratie van de brandslang­haspel. In een document moet zijn vastgelegd waar de haspel zich bevindt en wat de technische eigenschappen zijn, zoals merk, lengte en dikte van de slang.
  3. Jaarlijks onderhoud door een deskundige. Jaarlijks moet de haspel worden gecontroleerd op druk en doorstroom. Ook moet de deskundige zorgen dat de haspel duidelijk is gemarkeerd met een pictogram. En verder moet om de vijf jaar de slang worden beproefd op maximale werkdruk.

Als door aard en omstandigheden het aanwezig zijn van hand- of verrijdbare blustoestellen noodzakelijk is, dan schrijft artikel 6.31 van het Bouwbesluit voor dat een gebouw is voorzien van voldoende draagbare of verrijdbare blustoestellen om een beginnende brand zo snel mogelijk door in het gebouw aanwezige personen te laten bestrijden.

Sinds 2001 schrijft de NEN 2559 voor op welke wijze draag- of verrijdbare blusmiddelen moeten worden onderhouden. Het onderhoud vindt plaats volgens een vier stappenplan:

  1. Regelmatige controle door de gebruiker. Blustoestellen moeten regel- matig worden geïnspecteerd op zichtbare kenmerken, zoals aanwezigheid, toegankelijk- heid, bruikbaarheid (is de keuringsdatum niet verlopen), beschadigingen en gebruiks- aanwijzing.
  2. Jaarlijks onderhoud door een deskundige. Het blustoestel moet jaarlijks worden gecontroleerd door een REOB-gediplomeerde monteur van een REOB-gecertificeerd bedrijf.
  3. Vijf jaarlijks uitgebreid onderhoud door een deskundige Eén keer in de vijf jaar wordt het blustoestel extra gecontroleerd, en waar nodig wordt de vulling vernieuwd.
  4. Revisie na tien jaar door een deskundige. Na tien jaar wordt het blustoestel volledig gedemonteerd en wordt een drukproef op de cilinder uitgevoerd. Indien nodig worden onderdelen en vullingen vervangen. Na twintig jaar moet het blustoestel vervangen worden.

Onduidelijkheid over jaarlijkse verplichte keuring

Volgens het Bouwbesluit dient de richtlijn NEN-EN 671-3 voor het onderhoud van de brandslangen- haspels. Dit betekent dat ze jaarlijks moeten worden gecontroleerd.

Voor hand- en verrijdbare blusmiddelen is dit minder duidelijk. Het Bouwbesluit schrijft in artikel 6.31 voor dat deze blusmiddelen om de twee jaar, in overeenstemming met de NEN 2559 worden gecontroleerd. De gecertificeerde REOB-bedrijven zijn volgens de NEN norm 2559 verplicht om alle blustoestellen jaarlijks te controleren. Zij moeten dit ook op de onderhouds- sticker op de blusser aangeven. De gebruiker kan echter besluiten om de controle een jaar uit te stellen, immers het Bouwbesluit is van een hogere orde dan de NEN.

Als hiertoe wordt besloten zal dit wel steeds een bron van discussie zijn met de brandweer als zij een controle doen. Zij beroepen zich veelal op de jaarlijkse norm van de NEN, zoals die wordt toegepast door de REOB-bedrijven. Maar formeel is dit niet juist.

Of een tweejarige controle nu echt kostenbesparend is valt te betwij­felen. Bij een nieuw gebouw, waar­in op hetzelfde moment nieuwe brandblussers zijn opgehangen, is er een situatie dat alle blussers om de twee jaar gecontroleerd kunnen worden. Ook het uitgebreidere onderhoud na vijf jaar. Er ontstaat een probleem na tien jaar. Dan moeten alle blustoestellen worden gereviseerd. Dit kan niet ter plaatse gebeuren. Op dat moment moeten alle blussers worden meegenomen, of dit moet in een aantal etappes plaats gaan vinden, maar ook dan zijn er nog steeds een aantal blus­toestellen afwezig en wordt niet meer voldaan aan de eis uit het Bouwbesluit van het voldoende aanwezig zijn van brandblusappara­ten. Worden er tussentijds nieuwe blustoestellen geplaatst dan valt het tweejarige controlesysteem in dui­gen, en moet er toch een jaarlijkse controle plaats vinden. Bovendien zijn in ieder bouwwerk brandslan­genhaspels aanwezig, en die moe­ten in ieder geval jaarlijks gekeurd worden.

Verder is er nog een ander aspect wat meespeelt. De REOB-bedrijven hanteren een stuksprijs voor de controle. Die prijs is afhankelijk van het aantal te controleren blussers. Zo te meer blussers, zo te lager de stuksprijs. In de praktijk komt het er op neer dat een jaarlijkse contro­le uiteindelijk niet duurder zal zijn dan dat men de brandblusappara­ten om de twee jaar laat keuren. En om alles administratief bij te hou­den is een jaarlijkse controle wel zo eenvoudig. Met andere woorden, brandblusap­paraten om de twee jaar laten keu­ren is toegestaan, maar uit kosten en efficiency overwegingen is een jaarlijkse keuring in bijna alle ge­vallen toch aan te bevelen.

De CCV-regelingen brandbeveiliging zijn te raadplegen via www. hetccv.nl

Op deze website is ook het certificatieschema 45011 in te zien.

Adri van Vliet (RHB)

Related posts